Stamreeks Geert de Haan

Jelle Feijes (ca 1700-1783/84)

Jelle Feijes is waarschijnlijk rond 1700 in Veenwouden geboren als zoon van Feije Jelles. Er bestaat echter geen doopinschrijving waarmee dit te bewijzen is. Het doopboek van Veenwouden begint pas in 1706. In dat boek staan wel drie jongere zonen van Feije Jelles: Hendrik, Tjeerd en Allert. De moeder wordt niet genoemd. Op 19 mei 1726 trouwt Jelle Feijes in Oostermeer met Dieuke Tjeerds. Ze wonen op dat moment allebei in Eestrum, waar ze hun verdere leven blijven wonen. Ze krijgen hier vijf kinderen: Feye, Antje, Tjeerd, Durk en Wilt. Antje en Wilt zijn waarschijnlijk jong overleden.

Tjeerd Jelles krijgt veel nakomelingen die ik elder op deze website heb beschreven. De meesten van hen gaan na 1811 Stel of Steltman heten. Er is echter ook een zoon van hem die zich De Haan noemt. Dit wijst erop dat de oorsprong van de achternaam De Haan wel eens met Jelle Feijes te maken kan hebben, omdat de verschillende lijnen bij hem samenkomen.

In juni 1740 wordt Jelle Feijes genoemd in een aantal verklaringen die voor het nedergerecht van Tietjerksteradeel zijn afgelegd. Grietenijen hadden in die tijd zowel een bestuurlijke als een gerechtelijke functie. Lichte overtredingen werden afgehandeld door het nedergerecht. Voor zwaardere vergrijpen zoals diefstal en moord moesten verdachten voor het Hof van Friesland te Leeuwarden verschijnen. Voordat het zover was kon het nedergerecht inlichtingen inwinnen die werden vastgelegd in informatieboeken. De genoemde verklaringen zijn afkomstig uit deze boeken.

Een boer in Bergum, Jan Clases, is een paard kwijt, een ‘bruynbles’. Later hoort zijn vrouw dat Jelle Feijes uit Eestrum voor achttien stuivers een ‘peerdehuyt’ heeft gekocht van Trynke Cornelis. De vrouw van de boer, Jeltie Clases, vertelt grotendeels hetzelfde verhaal. Zij is naar Jelle Feijes toegegaan die haar bevestigt dat hij een paardenhuid heeft gekocht. Als hij haar de huid laat zien, herkent zij die als van hun ‘bruinbles’. Trijntje Cornelis en haar man Egbert Eelses zitten inmiddels vast in Bergum. Zij verklaren dat Binne Clases, de broer van Jan Clases, hen had gevraagd om een paard dat in het Bergumermeer is verdronken, te villen en te begraven. Als beloning mochten ze zelf de huid houden. Dit komt overeen met wat Binne Clases zelf verklaart. Hij spreekt zijn broer Jan echter op twee punten tegen. Volgens Binne ging het om een paard van hemzelf. Het was ook geen bruin paard, maar een zwart paard dat zo vaal was geworden dat het gemakkelijk voor een bruin paard kon worden aangezien. Naar aanleiding van de vijf verklaringen gelast het Hof van Friesland de vrijlating van de twee verdachten. Het komt dus niet tot een rechtzaak.

Uit het verhaal hierboven is af te leiden dat Jelle Feijes mogelijk koopman van beroep was. Bijna tien jaar later, in 1749, wordt hij echter in een belastingregister omschreven als een arbeider die (vrij vertaald) rond kan komen. Uit de aanslag kan ik afleiden dat hij een vermogen van ongeveer 100 caroliguldens bezat. Hiermee behoort hij niet tot de allerarmste van mijn voorouders, maar er waren wel arbeiders die meer bezaten. Van 1748 tot 1784 woont hij steeds op dezelfde plek in Eestrum. Dat blijkt uit de speciekohieren, waarin hij steeds te vinden is op nummer 16. In 1771 wordt genoteerd dat zijn vrouw inmiddels is overleden en in 1784 dat hijzelf niet meer in leven is. Hij is dus in 1783 of 1784 in Eestrum overleden. In de laatste dertien jaren van zijn leven wonen er zonen bij hem in, eerst Durk en daarna Tjeerd, vervolgens de weduwe van Tjeerd en haar zoon Anne.

Omdat ik over de volgende generatie tot nu toe geen betrouwbare informatie heb gevonden, laat ik hier voorlopig deze stamreeks eindigen.

Sake Wagenaar
18 januari 2009

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *